Over Petra d'Huy

Dochter, vriendin, buurvrouw, student, communicatieadviseur, echtgenote, cliënt (soms patiënt), moeder, baasje, regiocontactpersoon, ervaringsdeskundige, supporter etcetera.

In hoeverre lijk ik op mijn bipolaire vader

Tekst en foto’s: Mieke Terlouw

Het is precies drie jaar geleden dat mijn vader zelfmoord pleegde. Samen met mijn tante Els, haar man en Anna (mijn vaders vriendin) zitten we op het terras van restaurant Bergen Binnen. Ik schep het schuim van mijn cappuccino.

‘Gek he? Drie jaar alweer.’
Tante Els prikt met haar vork in de appeltaart en doopt het stuk in de slagroom.
‘Alsof het gisteren was,’ zegt Anna. ‘Terwijl we ook zoveel doorgemaakt hebben.’
Ze haalt de munt uit haar thee en legt de blaadjes op een schoteltje.
‘Zelfmoord blijft altijd een open wond’.
Tante Els stopt het stuk appeltaart in haar mond.
‘Toch verandert het wel,’ zegt Anna.

Godzijdank! Twee jaar geleden zat ik er heel anders bij. Terwijl mijn omgeving dacht dat het na een jaar minder werd, was dat voor mij het dieptepunt. Ik was bang dat mij hetzelfde als mijn vader kon gebeuren, maar ik wist niet wat ik moest doen. Ik stond al maanden op de wachtlijst bij een psycholoog. Om houvast te krijgen was ik alles over zelfmoord aan het lezen wat ik vinden kon. In bijna elk artikel stond: ‘praat erover’. Dat is een tip die ze wat mij betreft beter aan de omgeving kunnen geven. Wanneer ik vertelde dat ik mijn vader wel begreep en zijn zelfmoord ook ambieerde, kreeg ik vaak te horen dat ik niet van die gekke dingen moest zeggen. Mensen vonden mij te vrolijk om depressief te zijn, laat staan zelfmoord te plegen. Ik probeerde minder te lachen. Lukte niet. Hoe slechter ik me voelde, des te mooier de glimlach.

‘Jij bent je vader niet.’ Nog zo’n vaak gehoorde uitspraak. Natuurlijk wist ik dat ook wel. Maar we deelden toch dezelfde genen? Bovendien vond mijn vader ons wel identiek. Dat kreeg ik vaak van hem te horen. Hoewel alleen in zijn manische perioden. En het waren enkel de (semi) positieve eigenschapppen waarin we volgens hem zo op elkaar leken. Dat ik wellicht ook zijn sombere buien geërfd had, daar heeft hij nooit een woord over gerept. Ik vroeg me af waarom niet. Wilde hij mij niet ongerust maken? Of kon hij mijn problemen er niet bij hebben als hij zich depressief voelde?

foto mijn vader en ik

Het was twee jaar voor zijn dood. Ik woonde tijdelijk in Polen voor mijn werk en logeerde een weekend bij mijn vader.

‘Lieve dochter, fijn om je te zien,’ zei mijn vader. Hij stond ongeduldig te wachten naast zijn auto tegenover de aankomsthal van Schiphol. Hij gaf me vluchtig een zoen op mijn wang en stapte meteen in. ‘Ja fijn pap! Hoe gaat het met je?’ Ik zette mijn trolley op de achterbank. ‘Niet zo goed. Ik zit weer tegen een depressie aan. Ik heb grote fouten op mijn werk gemaakt met desastreuze gevolgen. Deze keer zullen ze me wel ontslaan.’ Hij keek me met grote ogen aan, waarna hij de auto startte en we wegreden. Ik schrok van zijn negatieve toon en voelde buikpijn opkomen. Ik probeerde hem gerust te stellen: ‘dat je niet ontslagen kunt worden als je in de ziektewet zit’. Maar hij was in de stellige overtuiging dat de regels waren veranderd.

Die nacht kon ik niet slapen. Eigenlijk sliep ik al weken slecht. Ik zat niet lekker in mijn vel: in Polen voelde ik me eenzaam en ik had last van huilbuien. Ik stapte uit bed. Beneden trof ik mijn vader aan achter zijn laptop.

‘Wat doe je op dit tijdstip achter je computer?’ vroeg ik.
‘Even de ontslagregels doorlezen,’ zei hij.
‘Dat had je toch allemaal al uitgezocht?’ Mijn vader reageerde daar niet op. Ik begreep niet waarom hij dat in de nacht deed en voelden de tranen in mijn ogen prikken.
‘Heb je een slaappil voor me?’ vroeg ik.
‘Dat heb jij niet nodig,’ zei mijn vader nog steeds starend naar het beeldscherm.

‘Hoezo zou ik dat niet nodig hebben? Jij bent niet de enige met problemen!’ Ik slikte een brok in mijn keel weg. In het badkamerkastje zocht ik naar slaappillen. En stonden genoeg doosjes, maar na even overwegen besloot ik om geen slaappil te nemen. Mijn problemen vielen natuurlijk in het niets bij die van hem.

‘Fijn om jou ook weer te zien.’ Anna draait haar gezicht naar mij.
‘Ja, gezellig.’ Ik neem de laatste slok van mijn cappucino. ‘Zullen we gaan?’
‘Ook zo lekker ongeduldig.’ Lachend blaast Anna in haar thee. ‘Kind van je vader.’

Dus toch…


Mieke Terlouw (1982) woont in Haarlem werkt in Amsterdam als project controller bij een stichting die gezondheidszorg in Afrika levert. Daarnaast geeft ze les als yogadocent. In 2016 verloor Mieke haar vader aan zelfmoord. Schrijven heeft haar erg geholpen in het rouwproces. Naast dat het schrijven helend werkt voor haar, wil Mieke ook graag haar verhaal delen met lotgenoten. In 2018 en 2019 heeft ze verschillende schrijfcursussen gevolgd. En is ze als beginnend schrijfster haar eerste boek begonnen over hoe het is om opgevoegd te worden door een zwaar psychiatrisch patiënt en na zijn zelfmoord pas echt tot dat besef te komen.

De psychische stoornis werd mijn deel

Tekst en foto’s: Huub Hendriks

Ooit komt dat nare bericht. Zelf had ik al lang een vermoeden. De psychische stoornis werd mijn deel. Jaren was ik al uit mijn doen. Nooit was ik echt mezelf. Ik had totaal geen zelfvertrouwen. Mijn jeugd was er een zonder liefde warmte en genegenheid. Ook kreeg ik thuis veel klappen. Als ik ook maar iets misdaan had in de ogen van mijn ouders volgde vaak een zware straf. Soms ging ik met blauwe plekken naar school en dat riep daar vragen op. Ik beschermde mijn ouders ook nog. Ik werd vindingrijk in het verzinnen van smoesjes en kwam er nog mee weg ook. Wel ging ik negatieve aandacht vragen en dat brak mij later op. Onze buurvrouw waar ik veel omgaf en waar ik een warme band mee had, werd mijn toevluchtsoord. Het zette kwaad bloed bij mijn ouders toen ze in de gaten kregen dat ik vluchtte voor mijn ongezonde werkelijkheid. Mijn ouders verboden mij om nog bij de buren te komen. Weer een plek minder om me te uiten en steun te zoeken. Het gezonde kringetje om me heen werd steeds kleiner. Ook de verstandhouding met mijn drie broers verslechterde steeds meer. Zij werden door mijn ouders voorgetrokken met voor mij extra negatieve situaties. Ook kwam het vaak voor dat als zij iets negatiefs gedaan hadden ik daarvoor steeds meer gestraft werd.

clip_image0033

Haat
Langzaam begon ik een haat richting mijn ouders te ontwikkelen. Een haat die steeds extremer werd. Ik zocht naar manieren om mijn ouders extra te raken en nam bijvoorbeeld wat geld weg terwijl ik daar eigenlijk niets mee deed. Totdat ik op een maandag morgen met een paar stuivers voor schooltijd naar het kleine snoepwinkeltje bij ons in de buurt ging. De dame,  José heette ze,  vroeg: ”Weer in de portemonnee van je moeder gezeten?” “Leuk toch”, zei ik brutaal, “daar worden we toch beide beter van. ”Maar bij thuiskomst moest ik op de rietenkokos mat gaan zitten op mijn blote knieën en dat in mijn korte broek. Dan moest ik mijn armen vanuit mijn elle bogen omhoog houden en pa legde in iedere hand een veldbrandsteen. Als ik mijn armen liet zakken kreeg ik slagen met de riem van mijn vader. Soms waren de anderen erbij en zei pa: “Dit overkomt ook jullie. Laat dit een goede les zijn.”

Dit alles vormde mij voor de rest van mijn leven
Zelf wilde ik als kind priester worden maar mijn vader zag me liever in de mijnen werken. Iets wat pa zelf ook zijn leven lang deed. Maar omdat ik graag schilderde en tekende vond hij het goed dat ik schilder werd. Ik weet nog dat ik mijn diploma haalde op de LTS en verder ging met een opleiding tot Gezel. Ook dit diploma behaalde ik. Eerlijk moet ik zeggen dat er ook mooie momenten waren zoals Kerst, Sinterklaas en ons Misdienaars reisje.

clip_image0012

Rond en in de kapel hier boven was ik vooral in de Maria maanden te vinden om de mis te dienen. Om 06.00 uur iedere morgen werd de vroegmis al opgedragen en ik was er altijd bij als misdienaar. Ik vond het geweldig. Bij de opening en sluiting van de mei- en oktobermaanden waren er vaak duizenden gelovigen aanwezig. Vele bewoners en verenigingen uit de omliggende streek deden mee aan de processies. Vanuit de kerk beneden aan de berg trok men dan linksom de berg op. Hier werd een openluchtmis opgedragen. Op een plek bij het kapelletje liggen mijn beide ouders uitgestrooid. Toen ik dit samen met mijn broers deden, ging er heel veel mis. Voor altijd kwam er een einde tussen de relatie onderling. Iets wat mij tot op de dag van vandaag nog pijn doet. Ook het feit dat mijn jongste broer een einde aan zijn leven maakte op 47-jarige leeftijd laat nog steeds  een diepe wond achter. De oorzaak hebben we nooit achterhaald en ook zijn gezin lijdt er nog onder. Het is nu negen jaar geleden.

Een last op je schouders
Zo zien we dat vaak iedereen heel wat te verstouwen heeft in zijn of haar leven. Soms hoeft er maar iets mis te gaan en psychisch komen we in de knoei.

Nu,  na 45 jaar omgaan met de ziekte, heb ik een leefbaar leven. Alhoewel moet ik wel zeggen dat ‘ik de ziekte heb en mijn vrouw het kruis’.Ik heb nog vaker last van heftige stemmingswisselingen. Wat ons erg goed doet,  is dat onze zoon de stoornis niet heeft. Hij heeft een topbaan in het bedrijfsleven en ook nog een eigen zaak.

Voorlichting
Ik geef tegenwoordig op vele plekken voorlichting. Ik heb van mijn gebrek mijn beroep gemaakt. Er voor anderen zijn, geeft je een geweldig positief gevoel en zelf kom je sterker in je leven te staan. Ik ben al langer dan 25 jaar vrijwilliger bij de vereniging plusminus en mocht steeds doen waar ik goed in was. Ik zit nog steeds aan onze Lotgenotenlijn waar ik naar anderen luister en hun adviezen mag geven. Je kan mij gerust bellen: 0900 5 123456


2013Mondriaanhuub hendriks16 - kopie

Mijn naam is Huub Hendriks, geboren in Slenaken (1950). Ik was de oudste van vier broers. Op mijn 23ste leerde ik Ans kennen. Samen hebben we één zoon Dave. In 1974 gaat het plotseling goed mis en word ik voor het eerst psychotisch. Een opname van 14 maanden volgt en in die tijd wordt, zonder dat ik daarbij ben, onze zoon geboren. Bij mij wordt de diagnose manisch-depressief gesteld. Nog vele lange opnamen volgen. Ik ben wel altijd erg medicatietrouw geweest en heel langzaam kreeg ik de controle terug over mijn leven. In 1975 werd ik volledig arbeidsongeschikt en daarmee heb ik het jarenlang heel erg moeilijk gehad.

Happen naar de dood

Tekst en foto’s: René Booms

Ik bevind me in water en zink als een baksteen naar beneden. Een besef van ongekend tekortkomen. Ik probeer weer naar boven te komen, maar ik heb te weinig zuurstof om weer met mijn hoofd boven het water uit te komen. Dat is het dus. Voor mij geen frisse lucht meer. In plaats daarvan hap ik naar de dood. Een laatste poging, gepaard gaande met zeer drukke overlevingsreflexen, overslaand in paniek.

air-bubbles-230014_640

Ik red het niet. Mijn adem stokt. HELP! HELP! Alsjeblieft. Ik kan de woorden alleen maar voelen; door de druk van het water op mijn mond kan ik ze niet uitschreeuwen. Niemand die me ziet. Het ergste is dat ik maar niet wakker word uit die kou en donkerte. Diep in het water. Ik huil, waarna het gevoel van de droom zich weer herhaalt.

Deze eeuwigheid duurt pas negentig seconden. Ik ben me te pletter geschrokken, maar voel opluchting: ik ben weer wakker geschoten. Uit het water bevrijd lig ik zwetend in mijn bed, naast mijn partner José. Met een gevoel van ‘weet ik veel’. Een gevoel van toegeven. Ik wandel gestaag richting een hypomane fase, de opmaat naar een psychose.

Faalangst achtervolgt mij de eerste 25 jaar van mijn leven. Het geeft mij een intens, sluipend en misselijkmakend gevoel. Het heeft mij in lastige situaties regelmatig verlamd, vooral op momenten als een schoolexamen. Op alle rapporten scoor ik bovengemiddelde cijfers, maar tijdens zo’n examen krijg ik door een ongezonde manier van ademhalen een soort van black-out.

Tegen het mbo-examenjaar wordt zichtbaar dat het niet goed gaat met mij. Na drie jaar hoge cijfers te hebben gehaald, scoor ik steeds lagere cijfers in de aanloop naar de tentamens en het eindexamen. Het lukt me niet om de leerstof erin te stampen. De leerstof boeit me gewoonweg niet. Op school zeggen ze dat ik last heb van faalangst. Ik herken mij niet in deze omschrijving.

Diep vanbinnen voel ik intense boosheid naar het hele schoolsysteem. Ik ben niet dom; eigenlijk verveel ik me rot, en het lijkt erop dat ik daardoor ook minder presteer. Dit gevoel betitelen als faalangst voelt als een klap in mijn gezicht. Ik kan mezelf onvoldoende motiveren en op school weten ze daar geen raad mee. Bovenstaande situatieschets laat precies zien wat ik steeds meer ga doen: onderzoeken en analyseren. Twijfelen en vervelen. Falen, angstig zijn en me vooral diep somber voelen. Ik praat met niemand over mijn gevoelens. Het is gemakkelijker voor me om te spelen dat ik opgewekt ben en een opgeruimd karakter heb. Mensen ervaren mij als spontaan, gezellig en rustig. Wat een kwelling. Toch krijg ik niet het gevoel dat ik wat aan mijn houding kan veranderen. Ik huil en niemand die het ziet. Ik haal met een herexamen mijn diploma en ga door naar het middelbaar beroepsonderwijs, het Ondernemerscollege.

Ook hier weer een vliegende start. En ook hier weer die snel opkomende verveling. Opnieuw de zogenaamde faalangst die om de hoek komt kijken. In het examenjaar kom ik weer in de problemen. Ik ga me steeds verder terugtrekken op mijn slaapkamer, draai muziek als troost en kom in aanraking met klassieke muziek. Er gaat een nieuwe wereld voor me open. Met mijn spaargeld ga ik op jacht naar de mooiste adagio’s. Ik val als een blok voor die van Mahlers vijfde, die hij speciaal voor zijn vrouw heeft gecomponeerd, uit liefde voor haar. Ik ben zó onder de indruk: heel anders dan alle popmuziek waar ik ook nog steeds naar luister. Het verfijnde van muziek luisteren zit hem voor mij in het openstaan voor beide muziekvormen.

Toch gaat het in dat mbo-examenjaar steeds slechter met mij. Ik voel me zo onzeker en steeds depressiever worden. Alles ontglipt me. Ik kan er met niemand echt diepzinnig over praten. Maar mijn zwaarte heeft voor mijn gevoel niets te maken met mentaliteit. Het depressieve voelt lichamelijk.

Op een gegeven moment wordt er bij mij thuis op de voordeurbel gedrukt. Een schoolvriend en -vriendin staan voor de deur en ze vragen mij hoe het gaat. Uit schaamte durf ik ze niet eens even binnen te laten. Voor het eerst vertel ik ze wel dat het helemaal niet goed gaat met me. Ze kunnen bijna niet geloven dat ik dat zeg. ‘Hoe kan dat nou? Je bent altijd zo opgewekt.’ ‘Ja, ik weet het, maar dat is alleen maar ter bescherming van m’n ware gevoelens.’ Ik durf er niet over te praten, bang dat mijn wereld in elkaar stort. ‘Heb je het er met je ouders over?’ Mijn ouders zijn schatten van mensen, maar ze vinden het ook lastig om met mijn somberheid om te gaan. Mijn vrienden gaan geraakt weer weg, en als de deur eenmaal dicht is, begin ik op mijn kamer onbedaarlijk te huilen.

Het lukt me ook na een herexamen niet om mijn diploma te halen. Gelukkig krijg ik uiteindelijk wel deelcertificaten voor de meeste vakken die ik gehaald heb.

Dit betekent dat ik toch gewoon door kan leren. Wel weer heel bijzonder is dat ik vervolgens mijn theorie-examen voor m’n rijbewijs op mijn achttiende in één keer haal en na achttien lessen ook mijn rijbewijs in één keer haal. Autorijden boeit me mateloos.


 

Rene Haarlem klein 4

Mijn naam is René Booms van de Heuvel van de blogsite: https://www.renebooms.nl

Ik ben geboren in 1965 in Heemstede en noem mijzelf een ‘mood swing expert’. Dan doel ik op mijn levenservaringen die ik heb opgedaan in mijn bipolaire leven. In 2011 is de diagnose bipolaire stoornis vastgesteld. Wat een verademing. Het herstel, het weten, de zouttabletten (lithium) en mijn liefdesleven met mijn prachtige vrouw José weer terug.

Als geluksvogel is het diepe contact met mijn drie kinderen er ook weer. Mijn vriendschappen hebben zich geselecteerd en verdiept.

Toch is het zeker niet allemaal rozengeur en maneschijn. Verschillende malen ben ik toch weer in een hypomane fase gedoken. Deze zomer van 2019 is de 1ewaarbij ik tot nu toe helemaal vrij ben van de last van mijn bipolaire stoornis. Dat vraagt van mij enorme dag-discipline, vertrouwen in mijn levens- ritme en focus op de mooie dingen in ons leven.

Soms kan ik me voor een moment intens éénzaam voelen. Ik huil dan in stilte en baal van de intensiteit van de stoornis, moet uiteindelijk glimlachen en voel me hemeltje rijk met alles en iedereen die zich om mij heen begeeft.

Mijn moeder, mijn leven

Tekst en foto: Phaedra Klerkx

Als oudste dochter van mijn mama met een bipolaire stoornis heb ik altijd geprobeerd de boel draaiende te houden. Parentificatie is het mooie woord. Ik voelde mij verantwoordelijk; voor haar, voor mijn zusje, voor mijn vader. Ikzelf schoot er dikwijls bij in. Voor eten in huis, voor de ‘ rust’ in huis. Voor afspraken en verhuizen. Voor de alledaagse dingen. Voor alles om mij heen. Dit ging vanzelf. Ik had altijd de gedachte: “wie doet het als ik het niet doe.”

Ik werd hierdoor al op jonge leeftijd moe. Stil. Teruggetrokken, of zoals mijn moeder zegt: introvert.

Ik heb pas geleden gelezen over ‘een dochter van’, het boek van Roos Schlikker ‘Moeder van glas’. Haar moeder had rapid-cycling. Ik kon veel herkennen, maar mijn mama heeft lange periodes. Weken lang ‘ druk’ om vervolgens in een diep gat te vallen. Ik was dan altijd erg bang dat ze niet meer zou willen. Dat is eigenlijk mijn grootste angst geweest, de reden om haar altijd het gevoel te geven en haar te laten zien dat ze niet alleen is. Als ik haar niet opzoek of bel ben ik zo ongerust.

Een psychiater noemde ons ooit ‘twee scheve torens van Pisa die tegen elkaar aanleunen’.

De drukke periodes eindigden toen ik klein was vaak met een opname. Het liep dat in een paar weken zo uit de hand. Echt heel naar. Ik ga liever niet op de pijnlijke details in. Ik zag het altijd aan haar oogopslag. Ik heb het ook vaak uitgelegd als iemand die high is van cocaïne. Haar ogen leken wel 3x zo groot en strak gericht, vliegend van het een naar het ander, vol spanning. Ze ging dan ook altijd veel roken. “Daar gaan we weer”, dacht ik dan. En net of ze de stilte van de depressie wilde inhalen was het dan. Onophoudelijk praten, overleden mensen werden genoemd, kennissen en de kinderen ervan. Van de hak op de tak.

20190330_134217

Spulletjes. Ja, overal. Het verschuiven ervan deed mij altijd pijn op de een of andere manier. Dan lag de salontafel vol met van alles en nog wat. Zij pakte dan bijvoorbeeld de briefopener en legde die 5 cm naar links en zo verder. En het slaapritme was weg, nachtelijke drukte van computeren, gitaar spelen en liedjes luisteren Haar manische programma. Sommige liedjes haat ik daardoor.

Soms kon ik er even niet meer tegen. Mijn moeder die mijn moeder niet was. Ik heb dan ook constant tegen mijzelf moeten zeggen: “laat haar gaan, ze kan er ook niets aan doen. Niet kattig doen, niet corrigeren”. Maar dat was wel zwaar. Verdriet maakt je ook vaak boos, dat weet ik wel! Een van de ergste dingen vond ik altijd ‘ de mensen’. Want als in zo’n periode met haar ergens naartoe ging, zie je ze kijken, zie je ze roddelen. Weer dat verdriet wat omslaat naar boosheid. “Kijk naar jezelf! Mijn moeder heeft een ziekte. Zij kan er niets aan doen!” Ik had het soms willen schreeuwen. Relativeren. Het magische woord… Toen ik dit eenmaal kon is mijn leven meer draagbaar geworden. Voor schut? Nee, hun probleem! Dit is mijn moeder en ik hou van haar. Hoe ze ook doet. Ik weet hoe ze is en een liever persoon ken ik niet. Te lief. Te goed voor de gemene wereld.

De tussenperiodes zijn voor mij heerlijk. Ik heb dan even mijn moeder terug. Ik voel mij dan ook echt haar dochter. Zij luistert dan ook echt naar mij, ze is er dan weer.

De depressieve periode is ‘ lekker rustig’. Dat zeg ik altijd tegen haar voor de grap want wij houden de humor erin. Er is dan niet veel meer van haar over. Slapen, slapen, zitten, slecht eten, niet bewegen. Jullie kennen dit wel. Als ze iets opknapt in die fase gaat ze gelukkig weer wat cryptogrammen of pokeren op de computer. We hebben dan echte gesprekken en ik kom wat meer tot rust.

Soms vraag ik me af hoe ik zou zijn geweest als ik een niet-bipolaire-mama had gehad. Maar weet je wat. Ik heb hier zoveel van geleerd en wij hebben zo’n sterke band met elkaar. Gelukkig heb ik haar. Ik zou niet zonder haar willen. Met alles erbij.

 

 

Gezond eten voor stabiliteit

Tekst en foto’s: Ruby van der Kuil

Gezond leven, gezond eten, het draagt allemaal bij aan een stabiel leven. Toch is het lastig om het altijd maar perfect te doen. Daarom deel ik vandaag mijn eetschema om mijzelf gezond en fit te houden. Alvast een tip: zelf drink ik alleen maar groene thee en water. Dat scheelt een hoop! En als ik eens aan de frisdrank ga: dan maar zero!

gezond eten

Let op! Dit is mijn eetschema. Ik heb deze keuzes afgewogen na het bespreken met een professionele diëtist. Wil je zelf een eetschema maken? Doe dat dan door een diëtist te informeren of in ieder geval te kijken of deze keuzes aansluiten bij jouw leven en benodigdheden.

Eten in de ochtend

Ik houd zelf zes eetmomenten aan. Zo hoef ik per eetmoment niet zo veel te eten en verdeel ik alles zorgvuldig om mijn hongergevoel te minderen. Ik begin daarom met een ontbijtje dat bestaat uit magere yoghurt of kwark met muesli. Vaak heet muesli alleen een hoop suiker. Stel daarom zelf muesli samen met als variatie wat bessen of fruit.

Als tussendoortje neem ik altijd graag een appeltje. Als variatie neem ik soms een Breaker, een zuivelproduct met extra proteïne. Dit neem ik niet te vaak, omdat het toch veel suiker bevat, maar is lekker om soms mee te variëren dus.

Eten in de middag

Als middageten neem ik vaak een tosti. Een tosti?! Maar dat is toch vet? Nee hoor, als je het maar zonder sauzen eet. Het is gewoon een broodje met kaas (en in mijn geval met kip) maar dan warm. Wel verstandig is dan om bruin brood of volkorenbrood te gebruiken in plaats van wit brood. Maar voor een keertje is wit natuurlijk geen schande.

Als tussendoortje word dan vaak een handje noten aanbevolen of een gezond koekje. Zelf hou ik niet van noten en niet van dat soort koekjes (ik ben een echte zoetekauw) dus houd ik het bij een handje pinda’s. Een handje is niet veel, maar pinda’s bevatten veel olie en vetten. Dus eet niet te veel! (En voor de mensen die nu heel hard na zitten te denken, pinda’s zijn eigenlijk peulvruchten).

Eten in de avond

Belangrijk is dat je zelf kookt. Zo weet je precies hoeveel zout, suiker en andere dingen er in het eten belanden. Zelf kook ik graag pasta. Veel winkels hebben bijvoorbeeld volkoren pasta en dat soort kleine aanpassingen doen niet zo veel met de smaak, maar wel met de gezondheidspuntjes. Een Hollands dagje? Zelf eet ik dan twee (forse) aardappels en twee opscheplepels met groente. Met vlees kun je het beste rund of kip aanhouden en een goede variatie is vis. Varken is wat vetter, maar is natuurlijk niet verboden en ook hier geld: voor een keertje is het echt geen zonde hoor.

Voor mijn pillen uit eet ik nog een broodje of wat muesli. Niet de meest gezonde manier om de dag te sluiten, maar ik heb geen zin om misselijk te worden van mijn pillen.

En zo kom ik op zes eetmomenten. Ik ben wel benieuwd: hoe doen jullie dat? Zijn er vuistregels die jullie aanhouden of vertrouwen jullie ook op een expert? Laat het weten!


Hoi, ik benLogo

21 jaar en studeer aan de hogeschool van Amsterdam in de richting Media en Communicatie. Ik schrijf, ik blog en ik heb een bipolaire stoornis, type 2.
Sinds ik mijn diagnose heb gekregen, zet ik mij in voor openheid en begrip.

Ruby1

 

 

Het gevoel dat ik weer leef (deel 2)

Tekst en foto’s: Fransisca Furda

Hoe is het verder met mij gegaan na mijn besluit geen pillen meer te nemen in mijn leven?

Vanaf 2013 heb ik alle pillen laten staan en aangegeven om nooit meer pillen te slikken. Vanaf het moment dat ik mijn pillen heb laten staan, kreeg ik vaak de vraag of ik die pillen die in de kast stonden eindelijk niet eens weg moest doen. Ik kan dan alleen maar antwoorden dat ik dat niet kon. Op de een of andere manier heb ik die pillen in die kast toch nodig en waarschijnlijk zal ik ze tot het eind van mijn leven bij mij houden. Dat ik ze achter de hand had, gaf mij rust.

FDAF534F-8D8B-460E-8527-A1701E9E3263

Een leven zonder pillen. Dit ging een lange tijd goed maar wel nog steeds met ups en downs. Het jaar 2016 was een heel moeilijk jaar. In datzelfde jaar ging het heel slecht met mijn oudste herder, Olex waardoor ik heel diep in een depressie terecht kwam. Er waren momenten dat ik mij een leven zonder mijn buddy Olex niet kon voorstellen. Ik heb hem nodig om naar buiten te gaan want ik voel mij alleen maar veilig als ik een grote hond naast mij heb lopen. Zonder hem zou ik niet verder kunnen leven. Vaak dacht ik er zelfs aan om voor hem uit deze wereld te gaan maar mag ik hem dit wel aan doen? Dit was een vraag die mij regelmatig bezig hield.

Mijn depressie werd steeds heftiger. Mijn behandelaar zei tegen mij dat hij mij niet goed kon inschatten op het moment maar hij wilde niets voor mij beslissen want dan moest hij mij pijn doen en dat wilde hij niet. Die middag, ik vergeet het nooit meer, vroeg mijn behandelaar toch of het niet verstandiger was om mij te laten opnemen. Wat had ik graag ‘ja’ geantwoord maar door mijn verleden kan ik zo ontzettend blokkeren op een vraag. Ik wist dat een opname voor mij een opluchting zou zijn maar ik kon dit die middag niet over mijn lippen verkrijgen. Door die blokkade kon ik geen ‘ja’ zeggen.

Naar mijn gevoel zou ik een strijd verliezen als ik ‘ja’ zou zeggen. Een strijd die er niet hoort te zijn tussen mij en mijn behandelaar maar deze man had in het begin van ons contact eens gedreigd dat hij volgens de wet verplicht is om in te grijpen als ik een gevaar voor mijzelf zou zijn. Door ‘ja’ te zeggen had ik het gevoel dat hij van mij zou winnen waardoor ik op dat moment niet de juiste beslissing kon nemen. Ik zou verliezen, iets wat in mijn verre verleden al zo vaak was gebeurd. Uiteindelijk stelde hij mij volgende vraag: “Wat als ik maandagmorgen op kantoor kom en er word gezegd dat jij bent overleden. Moeten wij als team dan zeggen dat je je rust hebt gevonden of moeten we accepteren dat we als team hebben gefaald?” Ik heb hier eerlijk op geantwoord en gezegd dat het laatste dan het geval zou zijn. Op dat moment wist hij genoeg.

Vanaf 1995 heb ik een ondertekende euthanasieverklaring. Deze verklaring is mij vaak tot grote steun geweest. Als er weer in een periode van diepe depressies zat, kon ik altijd op de verklaring terugvallen. En op de een of andere manier was dat heel belangrijk voor mij en gaf het mij een veilig gevoel op de momenten dat ik niet verder wou leven. Maar nu was mijn gedachte aan de dood als enige uitweg mijn grootste angst. Ik ben bang dat ik in een moment van paniek mijzelf iets zal aandoen, zonder echt dood te willen. Zoals mijn huisarts eens tegen mij zei ‘per ongeluk overleden’. Deze angst bleek veel heftiger te zijn. Die vrijdagmiddag dat ik eigenlijk heel hard ‘help mij’ had willen schreeuwen tegen mijn behandelaar deed ik dit niet. Het lukte mij niet om mijn trauma’s aan de kant te zetten en daardoor kon ik zijn hulp niet aannemen.

De dinsdag daarop had ik een gesprek met een vervangende psychiater van het team. Mijn beste vriendin was met mij mee. Dat was fijn en toen de psychiater mij de vraag stelde: “Hoe sta je tegenover een opname?”, heb ik onmiddellijk ‘ja’ gezegd. Ook stelde hij mij de vraag: “Waarom kun je nu wel ja zeggen en vrijdag niet?”. Ik legde hem uit dat ik met mijn eigen behandelaar een slecht verleden had en met hem niet.

De man ging een opname proberen te regelen en vroeg mij waar ik wilde wachten op het antwoord. Ik had gekozen voor de wachtkamer omdat ik bang was dat ik thuis mijzelf alsnog wat zou aandoen. In de wachtkamer was het een stuk rustiger, veiliger. Om 16.00 uur kwam het verlossende antwoord. Ik kon de volgende morgen opgenomen worden op de afdeling Stemmingsstoornissen. Op de gesloten afdeling. Omdat ik het een en ander moest regelen zoals Olex onderbrengen, tassen inpakken etc., durfde ik thuis de nacht wel in te gaan. Ik was rustiger omdat ik de volgende medicatie had genomen: Quetiapine en Fluoxetine.

Mijn angst om ooit weer op een gesloten afdeling opgenomen te worden was zo groot en heftig maar nu kon ik het wel accepteren. Er was nog wel een beetje angst over. “Als het er maar veilig is en ik hulp van mensen om mij heen kan krijgen. Ik wist dat het goed was om niet meer alleen thuis te zijn met Olex. Ik wou niet meer dood.

820FB54E-B356-418F-ABD1-039A9715DE98

Tijdens het intakegesprek werd er aangegeven dat er wel van mij verwacht werd dat ik tweemaal per dag mee ging wandelen. Ik moest ook naar de therapieën gaan. Er werd mij gezegd dat je daar veel leuke dingen kon doen zoals schilderen. Ik keek ze aan alsof ze niet goed bij hun hoofd waren. “Je dacht toch niet dat ik ging zitten schilderen?”. En moet je mij nu eens zien.

De psychiater die ook bij de intake zat, schreef ook meteen iets voor het slapen voor. Volgens hem kon hij mij de garantie geven dat ik op dat middel, Zopiclon, zeker zou slapen. En zou mij dat na een uur nog niet lukken dan kon ik naar de verpleegpost gaan om nog een extra pil te nemen.

De gesprekken met de psychologen waren heel bijzonder. Ze vonden het dan ook helemaal niet vreemd, dat ik zo diep terecht was gekomen. Een psycholoog die opeens opgestapte, mijn behandelaar die in de periode dat ik opgenomen was, stopte met werken en ik, die niet wist wie er voor in de plaats kwam. Deze onzekerheid deed mij geen goed.

Het waren twee bijzondere weken op de gesloten afdeling. Wat gaf mij het een opluchting dat ik gewoon over mijn trauma’s binnen de psychiatrie kon praten en dat alles wat ik in het verleden op de gesloten afdeling heb meegemaakt nooit had mogen gebeuren. Ze gaven mij gelijk. Maar ja, het was zo dat de behandelaars vroeger dachten dat het goed was om mensen plat te spuiten en te isoleren.

Ik gaf in mijn vorige blog aan dat ik na het stoppen met de medicijnen het gevoel had dat ik weer leef. Helaas is het leven zonder pillen mij niet gelukt. Maar ik kan gelukkig wel zeggen dat, ondanks dat ik nu drie soorten medicijnen slik, ik nog steeds het gevoel heb dat ik leef. Het zijn wel andere pillen dan ik voorheen innam. De angst om terug te vallen en weer dicht te slaan, is niet meer nodig. Tot nu toe heb ik geen terugval gehad. Ik lig geen nacht meer wakker. Wat was het moeilijk om van mijn standpunt af te stappen. Wat was het een strijd maar het is mij gelukt. Ook met pillen kan je gewoon in het leven blijven staan. Naast mijn buddy Olex is ondertussen een opvolger bij ons in huis gekomen die luistert naar de naam Cassey. Olex is aan zijn pensioen toe en Cassey kan met frisse moed aan de taak beginnen om mij te begeleiden op straat. Ze zal nog veel moeten leren maar het gaat haar lukken.

IMG_2444

En het schilderen…..deze uitlaatklep heb ik echt ontdekt tijdens mijn opname en ik ben er thuis mee verder gegaan. Met schilderen kan ik mij heerlijk uitleven en mijn schilderijen geven heel duidelijk mijn stemmingen weer. Wat ik in mijn hoofd voel, kan ik heel goed in beeld brengen op papier. Vanaf half december tot aan half februari heb ik zelf een expositie hier in het dorp. Wie had dit ooit kunnen bedenken. Ik in ieder geval niet.

Dit is mijn verhaal waarin dus heel duidelijk blijkt dat het toch ook goed kan zijn om van een vast standpunt af te durven stappen. En toch het gevoel te blijven houden dat je leeft!


IMG_6612

Mijn naam is Fransisca Furda (61 jaar). Ik ben alleenstaande en heb een zoon en twee kleinkinderen. Op dit moment heb ik drie honden, waarvan er twee mijn buddy’s zijn. Het zijn twee Duitse herders: Olex van bijna 12 jaar en Cassey van ruim 1 1/2 jaar.

Grenzeloos geluk

Tekst: Luc Vercauteren

Ruim twee jaar geleden ben ik teruggekomen van m’n fietstocht naar Teheran. Het zijn twee bijzondere jaren geweest. Misschien wel de meest waardevolle jaren in m’n leven. Mijn vader kreeg ALS, droeg zijn ziekte met waardigheid en is inmiddels overleden.

Los van de medicatie die ik krijg heb ik zelf ook een ontwikkeling door gemaakt. Een ontwikkeling als mens, ondanks en dankzij de diagnose. De wens hypomaan te zijn, is er eigenlijk niet meer, ik ken m’n grenzen, ik weet steeds beter wie ik ben en waar ik voor sta, en ik zal ook altijd blijven twijfelen daarover. Ik zal nooit een ‘in-balans’ persoon worden. Dat past niet bij me, dat heeft niks met mijn bipolariteit te maken, zo zit ik gewoon in elkaar. Ik ben een gevoelsmens en daar horen schommelingen bij. En dan kan ik de ene dag A zeggen en drie dagen later B doen én begrip opbrengen voor beide.
Ik hecht waarde aan m’n autonomie. Ik doe wat ík denk dat goed voor me is. Ja, dat heb ik geleerd. Dat heb ik moeten leren en dat was grotendeels een onbewust proces. Hoe mijn vader in het leven stond en mijn broer Marc in het leven staat heeft me daarbij geholpen. Ik ben de belangrijkste persoon in mijn leven.

grenzeloosgeluk

En ja, ik heb nog steeds angsten, onzekerheden en twijfels. Maar die mogen er zijn en ik laat ze ook graag zien. Ook dat hoort bij me, ik ben nou eenmaal een deler. En het tegenstrijdige daarin is dat juist die onzekerheden en twijfels me sterker en evenwichtiger maken. Ik kom dichter bij mezelf. Mijn zogenaamde kwetsbaarheid is m’n kracht. Het klopt. Ik heb het zo vaak gehoord de afgelopen jaren, maar nu geloof ik het ook. Ik ervaar het ook zo, het is zo.

Ik schaam me er steeds minder voor. En ook schaamte mag, ook dat hoort bij me. Net zoals alle gevoelens mogen. Ook gevoelens die wij als maatschappij graag als negatief bestempelen. Gevoelens als jaloezie, haat, angst, boosheid, wraak, al die gevoelens mogen. Je moet er niet tegen vechten, je moet gevoelens niet veroordelen. Je moet ze er laten zijn en accepteren dat het even zo is.

Ik ben bipolair, dat is onderdeel van wie ik ben. En het heeft me zoveel gebracht en zoveel moois laten zien, dat ik nu kan zeggen en ook graag wíl zeggen: ik heb geluk.


Luc

Luc Vercauteren heeft een boek geschreven over z’n fietsreis vanuit Nederland naar Iran, het boek ‘Grenzeloos geluk’. Luc heeft een bipolaire aandoening. Grenzeloos geluk is behalve een mooie reisbeschrijving ook het verslag van een innerlijke tocht, die leidt van schaamte en ontkenning, via besef, naar acceptatie en geluk.

Recensie van hoogleraar Jim van Os:
‘Doortastend en psychologisch fijnmazig geschreven’

Het boek is vanaf 15 december te bestellen op de website van uitgeverij Tobi Vroegh: http://www.tobivroegh.nl en vanaf 23 december op http://www.bol.com.

Kan ik ook stabiel blijven zonder medicijnen

Tekst: Rocco Hoekstra

Dit is een vraag die bij iedereen met een bipolaire stoornis wel eens opkomt. Sommigen hebben al na een eerste manie of depressie een weerzin tegen medicijnen. Zij geloven vaak dat een volgende episode hen nooit meer zal overkomen. De omstandigheden waren, naar hun idee, uitzonderlijk toen zij voor het eerst manisch werden. Of zij hebben nu zo het gevoel grip op hun stemming te hebben, dat zij medicijnen echt niet meer nodig vinden. Anderen zijn jaren stabiel met lithium of een andere stemmingsstabilisator en vragen zich af of zij inmiddels wel zonder kunnen.

Het ultieme en voor iedereen geldige antwoord is eigenlijk niet te geven. Het is zeer afhankelijk van allerlei individuele aspecten. De praktijk leert wel dat het helaas maar erg weinig mensen met een bipolaire stoornis lukt om zonder medicijnen klachtenvrij te blijven.

medicine-1851178_640

Worstel je met deze vraag dan doe je er goed aan zo veel mogelijk voor- en nadelen, risico’s en mogelijke gevolgen op een rij te zetten. Deze zou ik met je behandelaar uitgebreid doornemen en om daarna pas tot een weloverwogen besluit te komen.

Zaken die een rol spelen zijn de volgende:

  • Hoe groot is het risico op een terugval? Hoe vaak ben je al eerder manisch of depressief geweest? Heb je het al eerder geprobeerd zonder medicijnen en wat gebeurde er toen? Komt het in de familie voor?
  • Hoe zijn de omstandigheden nu in vergelijking met toen je voor het eerst manisch of depressief werd? Is je leven in rustiger vaarwater? Heb je inmiddels vaardigheden opgedaan om stabieler te blijven?)
  • Hoe erg is het als je opnieuw een episode zou krijgen? Hoe erg is je leven ontspoord in vorige episoden? Bleef het allemaal nog wel binnen de perken? Kan je tijdig eerste signalen herkennen en weet je daarop te handelen?)
  • Zijn voldoende voorzorgsmaatregelen getroffen? Heb je een signaleringsplan en zijn familieleden op de hoogte van je plannen? Kunnen zij bijspringen?
  • Hoe veel last heb je van je huidige medicijnen?
  • Hoe goed hebben je huidige medicijnen gewerkt? Heb je sindsdien geen klachten meer gehad? Nog altijd stemmingswisselingen?

Op www.patientplus.info staat een mooie keuzehulp die kan helpen om dit soort aspecten op een rij te zetten. Als je alles op een rij hebt gezet, kan je overwegen over te stappen naar een ander medicijn. Vaak is het best te proberen of een ander middel effectiever is of minder bijwerkingen geeft.

Als je toch besluit met medicijnen te stoppen is het van groot belang wel in zorg te blijven. Juist in zo’n periode van veranderingen zijn de risico’s groter en is het belangrijk dat je iemand kan bereiken om advies te vragen of eventueel in te grijpen. Verder kan je eigenlijk niet stoppen zonder een aantal voorzorgsmaatregelen, waarvan een signaleringsplan en het betrekken van je omgeving de belangrijkste zijn.

Zoals ik al in het begin schreef is mijn ervaring dat het niet veel mensen lukt om zonder medicijnen stabiel te blijven. Dat neemt niet weg dat ik me kan voorstellen dat die vraag om de zoveel tijd opspeelt. Een zorgvuldig overleg met je behandelaar en je omgeving is van het grootste belang om gemotiveerd te blijven medicijnen te blijven gebruiken, om de stap te maken naar een ander middel of eventueel toch te proberen te stoppen.


roccohoekstra

Dr. R (Rocco) Hoekstra heeft al jaren de bipolaire stoornis als aandachtsgebied. Hij werkt als psychiater bij Antes (voorheen Delta Psychiatrisch Centrum) te Rotterdam, waar hij de patiëntenzorg coördineert op een grote polikliniek voor bipolaire stoornissen.

In 2007 is hij gepromoveerd op een onderzoek naar verschillende biologische aspecten van stemmingsstoornissen. Op dit moment heeft vooral het gebruik van Lithium zijn aandacht. Samen met de nefroloog en de klinisch farmacoloog van het Maasstad Ziekenhuis wordt onderzoek gedaan naar de relatie tussen Lithium en de nierfunctie. Verder is hij druk met een ZonMw-project dat het verantwoord gebruik van Lithium in de dagelijkse praktijk moet bevorderen. Patiëntvoorlichting en het verspreiden van kennis over de bipolaire stoornis is een rode draad in zijn werk.

Zie ook zijn websites: www.deltamania.nl en  www.allesoverlithium.nl

Bipolariteit: wat zegt de omgeving

Tekst en tekeningen: Klaartje Coupé

Ik ben een bofkont! Ik ben gezegend met een fantastische familie en vriendengroep. Van de lieverds die zich in mijn dichtste omgeving bevinden, heeft niemand mij als persoon afgeschreven omwille van mijn psychiatrische problematiek en de rare kronkels die mijn levensweg soms neemt sinds ik ziek ben geworden. Ik besef ten volle hoe hard ik me in de handen mag wrijven met alle liefde, vriendschap en begrip die mij te beurt vallen.

Toch is er een kleine groep mensen die wel eens ongemakkelijk reageert op situaties die te maken hebben met mijn gezondheidsproblemen. Gelukkig heeft die onwennigheid meestal geen betrekking op de contacten met mezelf. Eerder het contact met lotgenoten/andere patiënten blijkt soms confronterend te zijn voor mijn omgeving. Zo kreeg ik al verschillende keren te horen dat ik altijd welkom ben bij mensen thuis, maar dat een ziekenhuisbezoek te moeilijk voor hen zou liggen. Lieve bedoelingen, maar toch elke keer een tikkeltje pijnlijk. Ikzelf verblijf immers ook in datzelfde ziekenhuis en verschil in dat opzicht niet van de andere patiënten.

 In het ziekenhuis
De uitspraak ‘ik ben niet zo ziekenhuisachtig’ vind ik stiekem een beetje grappig. Ik stel me dan automatisch de vraag of er personages bestaan die zichzelf als ‘bijzonder ziekenhuisachtig’ omschrijven. Bovendien heb ik een vaag vermoeden dat met de algemene term ‘ziekenhuisachtig’ geregeld meer specifiek  ‘psychiatrisch ziekenhuisachtig’ wordt bedoeld.

Ik vrees een beetje dat de ‘niet-ziekenhuisachtigen’, ondanks alle sensibiliseringspogingen vanuit de sector, nog steeds schrik hebben om bij een bezoek aan een psychiatrisch centrum in een soort freakshow te verzeilen. Om eerlijk te zijn: bij mijn eerste opname negen jaar geleden stelde ook ik me behoorlijk akelige taferelen voor bij de medepatiënten waartussen ik me zou gaan begeven.

Vreselijke doembeelden jaagden me de stuipen op het lijf…
Dus wie ben ik om ook maar iemand iets kwalijk te nemen?

1 freaks

Niemand kan beweren dat een opname in een psychiatrisch ziekenhuis een plezierreis is. Het leven in een groep is niet altijd evident. Per slot van rekening komt elke nieuwkomer terecht in een groep medepatiënten voor wie hij of zij niet gekozen heeft. Op de afdeling van een psychiatrisch centrum bevindt sowieso niemand zich in een  topperiode. En inderdaad: hier en daar vind je een medepatiënt die zich even in een andere wereld bevindt.

“Het spookhuis waarvoor ik gevreesd had, bleek echter helemaal geen griezelhol te zijn.”

Het was een opluchting dat de meeste medepatiënten mij geen vragen stelden over mijn doen en laten. Er de hele dag roodbehuild bij lopen, in mezelf lopen te praten, asociaal in een hoekje voor me uit zitten te staren… Iedereen nam het voor lief. Wat een contrast met de ‘buitenwereld’, waarin elke gedraging die wat afwijkt van het ‘normale’ opvalt en aan een oordeel onderworpen wordt.

Toen ik me wat beter begon te voelen en sociaal contact opnieuw tot mijn mogelijkheden/ interesses begon te behoren, was er altijd wel iemand om een praatje mee te slaan. Ik stond versteld van de verrassende openheid onder de medepatiënten, of beter gezegd  mijn lotgenoten.

Zonder te verpinken kon ik dingen vertellen waarvoor ik me in mijn dagelijks leven te pletter zou schamen, waardoor mijn omgeving plaatsvervangend gegeneerd zou zijn of niet zou weten hoe te reageren. Het is moeilijk om te beschrijven hoe bevrijdend die vrijheid van spreken aanvoelde.

De buitenwereld
Op een gegeven moment was de tijd rijp om het psychiatrisch centrum te verlaten. Met bibberende knieën begaf ik me weer in de grote boze buitenwereld. Ik besefte wel dat ik maandenlang had vertoefd in een bubbel van begrip van mijn dichtste familieleden en vrienden, hulpverleners en medepatiënten.

Plotseling kreeg ik af te rekenen met reacties van mensen die ik nauwelijks kende, laat staan dat ik hun afwezigheid in de maanden ervoor als een nadeel had ervaren. Bijna was ik vergeten dat  zuivere dwaasheid en onversneden vooroordelen daadwerkelijk bestaan. Een enkele keer werd me een ronduit bikkelharde uitspraak in het gezicht gegooid door een  persoon die mij amper kende, laat staan mijn situatie.

2 azo vet

niet werken

In feite had dit gebrek aan respect mijn koude kleren niet mogen raken. De personages die zich eraan schuldig maakten, waren mijn frustratie en tranen natuurlijk niet waard. ‘Wie niets beter te melden heeft dan dit soort beledigingen heeft een mentale gezondheid die er erger aan toe is dan de mijne’, prentte ik mezelf in. Dat vond ik best wel een geslaagde theorie van mezelf.

Maar in werkelijkheid was ik bijzonder kwetsbaar op dat moment en ging elke opmerking als een dolk door mijn hart. Gelukkig waren er mijn lieverds, die wisten (en weten) hoe veel pijn het doet om je job niet langer te kunnen uitoefenen, dat medicijnen noodzakelijk zijn en de bijwerkingen ervan miserabel.  Boven alles wisten/weten ze dat elke dag een strijd was/ is om het hoofd boven water te houden. Zonder hen was ik eenvoudigweg nooit door doorheen de voorbije negen jaren gesparteld . Helden waren ze en dat zijn ze nog steeds.

Lachen, gieren, brullen
Humor is één van de beste pijnstillers en daar zijn wij, de patiënten, bijzonder bedreven in. Een situatie die op het moment zelf om te janken was of een moment waarop je je in de diepst denkbare put bevond, kan achteraf een giller worden. Zeker als je er een schepje drama bovenop doet, kan het lolligheidspeil (volgens ons toch) ongekende hoogten bereiken.

Toegegeven: sommige verhalen over psychotische of manische episoden zijn meer dan hilarisch, zeker om te delen met lotgenoten die zich in gelijkaardige miserabele situaties bevonden. Anekdotes waarin het hoofdpersonage zich – bij voorkeur publiekelijk – schandelijk misdroeg, kunnen meestal op veel succes rekenen. Als er in het avontuur als toemaatje politie of andere instanties te pas kwamen, vallen de belevenissen nog meer in de smaak.

Het is belangrijk niet uit het oog te verliezen dat dergelijke humor bij de gezonde medemens niet het zelfde effect heeft. Immers: hoe hard mensen hun best ook doen, helemaal begrijpen hoe het er in mijn/ons  hoofd en leven aan toegaat is een onmogelijke opdracht. Doordat psychiatrische aandoeningen in de samenleving niet meteen een voor de hand liggend gespreksonderwerp zijn, is het niet realistisch te verwachten dat iedereen de soms bizarre psychiatriehumor kan smaken.

Het is een beetje opletten voor welke mop we op welke medemens afvoeren.

haahahahahha

 Raar maar waar…
Als je een jaar uit het openbare leven verdwijnt en niemand op de hoogte is van een specifieke ziekte of familiale situatie die je uit de running haalde, weet iedereen snel genoeg wat er aan de hand is.

Vreemd genoeg zorgde de onduidelijke oorzaak van mijn afwezigheid ervoor dat uit alle holen en kieren bekenden opdoken met wie ik voorheen nauwelijks een woord gewisseld had. Half fluisterend en op een discrete plaats in de wandelgangen knoopten zij een gesprek met mij aan. Uit die conversaties bleek dat psychische problemen géén marginaal verschijnsel zijn. Ik had nooit verwacht dat zo veel mensen er rechtstreeks of onrechtstreeks mee te kampen krijgen.

alcoholverslaving

depressie vroeger
psycholoog

dochter angsten

Uiteraard had ik er geen enkele moeite mee om een luisterend oor te bieden aan de mensen die me in vertrouwen namen. Na maandenlang hulp te ontvangen deed het me ook wel goed om een keertje iets te betekenen voor anderen.

Dat neemt niet weg dat het jammer, en eigenlijk zelfs pijnlijk is dat mensen hun verdriet en zorgen klaarblijkelijk niet durven of kunnen delen met hun dichtere leefomgeving. Zeker als je weet dat zo veel mensen heimelijk met psychische problemen in aanraking komen, vind ik het absurd dat niemand er openlijk over praat.

Moraal van het verhaal?
Leven met  psychiatrische gezondheidsproblemen is in de meeste gevallen een lijdensweg. De uitdrukking ‘gedeelde smart is halve smart’ wordt voor zover ik het weet door niemand betwist. Jammer genoeg zijn er nog veel taboes die het delen van onze smart in de weg staan.

Waarom moeten mensen met een psychiatrische aandoening zo voorzichtig zijn om iets over hun ziekte te zeggen? Wat is er schandaliger aan problemen in de hersenen dan aan problemen in pakweg de ruggengraat? Waarom wordt er over iemand  die in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft voornamelijk met gedempte stem gepraat, of vinden familieleden zelfs soms een andere aandoening uit? Waarom staat het slechter op je CV een jaar niet gewerkt te hebben omwille van een depressie dan omwille van een chemobehandeling?

Misschien moeten wij zelf – hoe moeilijk ook én op momenten dat we ons sterker voelen – onze moed meer bij elkaar rapen om iets opener te durven zijn. De begripvolle reacties wegen vast op tegen de ongepaste kritiek en naarmate de tijd vordert zal de onwennigheid vermoedelijk ook slinken. Doe je mee?


Klaartje Coupé (1981) had als kind al een eigen kijk op de wereld. Indrukken en sociale interacties zijn voor haar heel gevoelsgeladen. Soms is dat verrijkend, maar het kan ook knap lastig zijn voor haar en haar omgeving. Op haar 28ste werd ze voor het eerst opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Na 12 jaar werken met senioren als maatschappelijk assistent heeft ze de moeilijke keuze gemaakt om haar loopbaan stop te zetten. Haar stressgevoeligheid en concentratieproblemen zorgden voor een te hoge werkdruk. Ze wordt momenteel behandeld voor stemmingswisselingen en angstproblemen.

klaartje

Ondanks alle moeilijkheden bekijkt Klaartje haar situatie het liefst met milde humor. Humor verzacht, daarom tekent ze graag cartoons over leven met een psychische kwetsbaarheid. In tegenstelling tot veel leeftijdgenoten heeft ze geen bucketlist gericht op spectaculaire ervaringen. Haar droom is om een gelukkig, gezond en vooral liefdevol leven te leiden.

Met een grote dankjewel aan mijn grote zus Griet
voor het meepuzzelen aan de woorden en de zinnen.

Opgedragen aan mijn liefste lief Geertje, die altijd weet waarover ik het heb.

Medicijntrouw

Tekst: Liesbeth

Nooit had ik gedacht dat ik zelf ook een bipolaire stoornis zou krijgen. Als dochter van een moeder met deze stoornis was ik in de veronderstelling dat ik meer op mijn vader leek. Mijn moeder was zoveel extraverter, meer op de voorgrond dan ik. Ik vergeleek me nooit zo erg met haar, ze was zo anders…

En toen dan toch. Op mijn 35steraakte ik ontregeld en fors ook. Depressie, verdiepte depressie, psychose, depressie, manie, manische psychose. Ik kon er niet meer omheen. De diagnose bipolaire stoornis werd gesteld.

Ik heb veel bewondering gekregen voor de manier waarop mijn moeder zich door haar leven heeft geslagen (1941-2007) met deze ziekte. Voor haar geen therapie, geen psycho-educatie, geen internet om informatie op te zoeken, geen VMDB, geen lotgenotencontact. Geen eens een handboek, een SPV’er. Het was er allemaal nog niet. Of ze wist er niet van.

En daarbij een eeuwig geklungel met pillen. Voelde ze zich goed dan stopte ze met alles. Werd ze depressief dan duurde het weken voor de medicatie een beetje aansloeg. Een episode eindigde bij haar steevast met een hypomanische fase, voor mij als dochter ook niet erg prettig omdat ze dan erg druk en overheersend was. Lithium heeft ze ook een poosje geprobeerd. Ze vond het geweldig spul maar helaas kreeg ze er ernstige psoriasisklachten van en is ze er mee gestopt.

medications-257346_640

Ik vond het echt verschrikkelijk dat ik ook last kreeg van deze stemmingsstoornis maar ik dacht wel: laat ik nu leren van wat bij mijn moeder zo moeizaam ging. Ik sprak met mezelf af de medicijnen trouw te slikken. Mijn psychiater had verteld dat dat erg belangrijk is. En ook las ik dat het met lithium een kunst is goed ingesteld te raken. En wat is dan mooier om dat ook te blijven?

Lithium slikken vind ik aan de ene kant niet zo moeilijk omdat ik de heilzame werking ervan ervaar. Sinds ik lithium slik gaat het behoorlijk goed met mijn stabiliteit. Het gaat beter met  me dan tijdens de Depakine die ik acht jaar gebruikte.

Aan de andere kant vind ik lithium wel een moeilijk medicijn. Ik vind de tabletten erg lastig te slikken, de smaak is vies. Het kost me ’s avonds tien minuten tijd om ze in te nemen. Dat doe ik nu met melk of yoghurt.

Ook heb ik er een heel droge huid van gekregen en met name heb ik klachten in mijn mond. Mijn mond is erg droog en ik heb veel pijn op mijn tong, in mijn wangen soms.

“Maar goed, ik ben zo dankbaar voor mijn stabiliteit dat ik dapper doorslik.”

Geschrokken ben ik wel toen een lotgenote uit onze lotgenotengroep toch is overleden aan nierproblemen die ontstonden door de lithium.

Nog vaak denk ik aan mijn moeder die altijd al haar medicijnen in de prullenbak gooide als ze zich weer goed voelde. Ze dacht dat haar ziekte voor altijd verdwenen was. Het was haar droom, die elke keer voor haar weer zo waar leek. Het is over, dit nooit meer!

Mijn moeder heeft door de onderbehandeling echt wel een moeilijk leven gehad. De bipolaire stoornis heeft haar behoorlijk in de weg gezeten. Gelukkig heeft ze ook mooie periodes gekend en genoten van het leven.

Maar ik prijs mezelf toch gelukkig dat ik in deze tijd leef waar ik goede en intensieve begeleiding krijg en ik grip heb op mijn medicijngebruik. Een goede spiegel draagt bij aan mijn levensgeluk.

Ik wil iedereen die overweegt te stoppen met de medicatie wel meegeven dat ik zelf gezien heb wat de gevolgen kunnen zijn. Telkens terugkerende episodes helaas. Een bipolaire stoornis is niet niks en ik maak graag gebruik van de ondersteuning van de medicijnen die beschikbaar zijn.

Ik denk nog vaak aan mijn moeder. Ik ben trots op haar, hoe zij het gedaan heeft en ik voel vaak haar nabijheid. Ze troost me, ze steunt me, ze is me zo lief.